|
| Geen achtergrondmuziek... |
|
|
Appaloosa is een benaming voor een bijzonder kleurpatroon. Het betreffende paard is in meer of mindere mate gestipt. De Appaloosa als rasaanduiding geldt volgens de American Appaloosa Horse Club Holland alleen voor de echte (Amerikaanse) Appaloosa's. Hun geschiedenis gaat terug naar de tijd der Indianen. Rond 1600 namen de Spanjaarden gevlekte paarden mee en vooral de Nez Perce (doorboorde neus) Indianen waren zo in hun schik met dit paard dat zij alleen met de beste dieren selectief fokten. De naam Appaloosa stamt af van de tijd dat de Nez Perce Indianen werden verdreven door het leger en uiteindelijk neerstreken bij de rivier 'palouse'.
De American Appaloosa heeft een stokmaat tussen de 1.43 m. en de 1.65 m. Het ras heeft een sterk ontwikkelde achterhand, een kort hoofd met forse kaken, een fijne hals en een middellange rug en niet te lange benen. Het ras blinkt uit in de westernsport, bij lange afstandsritten en op de renbaan. De kleurschakeringen noemt bij bij de American Appaloosa Horse Club: Blanket, Spots, Blanket with Spots, Roan, Roan Blanket, Roan Blanket with Spots en Solid.
In Nederland zijn echter ook mini-Appaloosa's, de stokmaat varieert dan van ca. 80 cm. tot 1.65 m. De Appaloosa's ondergebracht in het Nederlandse Appaloosa Stamboek voeren bloedlijnen van o.a. warmbloedpaarden (KWPN), rijpony's (NRPS), Shetlanders en ook van de Knabstrupper uit Denemarken, de American Appaloosa en de Falabella's.
Gevlekte (gestipte) paarden zijn er al heel lang. Afbeeldingen van gestippelde dieren zijn o.a. gevonden in grotten in Frankrijk en op schilderijen rond 1580. Appaloosa's waren bijzonder geliefd als oorlogspaard, vanwege hun uithoudingsvermogen en kracht.
|
|
 De Exmoor pony behoort tot het oudste Engelse ponyras. Het ras heeft zijn oorsprong in het Zuid Westen van Engeland in een gebied dat Exmoor heet. Dat gebied staat bekend om zijn uitgestrekte moerasgronden welke gedeeltelijk in Devon en Somerset liggen. De Exmoor wist met gemak de barre weersomstandigheden te doorstaan, zonder bijvoedering door mensen.
Het is een kleine harde pony, van nature wild en bijzonder robuust en taai. Het schijnt dat de Exmoor pony nog een van de weinige pony's is met veel Tarpan bloed. Deze kleine pony bezit zoveel hardheid en lef dat hij rond 1820 wel gebruikt werd om de jachtpaarden te verbeteren.
|
|
 Sinds honderden jaren leven Fell Pony's al in het halfwild in grote kuddes in de heuvels van Cumbria en Westmoreland (Noord Engelse Fells) aan de grens met Schotland en dienden de inheemse boeren als betrouwbare, robuuste, werkdieren met allround talent. Ze trokken ploegen en turfkarren, fungeerden als pakpony's, werkten in mijnen en droegen de vracht van de mijnen naar de zeehaven, op de zondagen trokken ze een lichte wagen in vlotte draf naar de kerk en ook onder de man sloegen ze geen gek figuur. In de fokkerij werd er voornamelijk geselecteerd op gezondheid, prestatie, omgangsvormen, moed en werkwilligheid. Pas in 1898 werd een stamboek opgericht. Kenners gaan er van uit dat de Fell Pony een van de oudste en zuiverste bewaarde rassen van Engeland is.
Ondanks dat komen er verschillende typen binnen het ras voor zodat het niet eenvoudig is het exterieur treffend te omschrijven. De stokmaat kan zelfs variëren van 1.30 m. tot 1.42 m. en vaak hoger. Het ras heeft een brede sterke rug, diepe borst en een korte croup. Opvallend is de vaak voorkomende zwarte en donkerbruine kleur met weinig aftekeningen maar ook vos en grijs komt meermaals voor. De manen en staart zijn dicht en lang met veel haar aan de benen. Lichtere hoogbenige typen wisselen af met uitgesproken koudbloedachtige typen. Vermoedelijk veel met elkaar verwante rassen leven van Noorwegen tot Portugal, in een lijn langs de Atlantische kust. Tot deze rassen behoren o.a. de Noorse Döle-paarden, de Dales, Fell Ponies, het Friesche paard, Landais, de Mérens in Frankrijk en de Pottok, Asturcon, Garron en Losino in Spanje en Portugal. De enige uitzondering is de Italiaanse Bardigiano. Die past ook qua type exact in deze groep, maar is de enigste die niet in in de lijn van de Atlantische Kuststreek valt.
Bij al deze bovengenoemde rassen hebben we hoogstwaarschijnlijk met zeer oorspronkelijk gebleven pony's te doen. Welke in relatief ontoegankelijke gebieden, misschien ooit eens gemeenzaam in de dichte oerwouden van West Europa, geleefd hebben. Een omgeving die de donkere kleur als ideale schutskleur in het donkere woud zou kunnen verklaren. Misschien dat ooit genetisch de uiteindelijke werkelijke verbondenheid kan onthullen.
Na de 2e wereldoorlog nam het aantal Fell Pony's drastisch af omdat er door de mechanisatie geen werkdieren meer gebruikt werden. Pas met de opkomst van de rij- en mensport ontdekte men opnieuw de voordelen van de Fell Pony. Uithoudingsvermogen over lange afstand, ongecompliceerdheid, robuustheid, en makkelijk in de omgang. Ze zijn misschien niet de aller snelste, maar buitengewoon geschikt voor vrijetijdsritten, mensport (Prins Philip rijdt met een 4-span), dressuur en ook voor therapeutisch rijden.
|
|
De Hackney komt van oorsprong uit Engeland. Het dier werd voornamelijk in de Graafschappen Norfolk en Yorkshire gefokt. In eerste instantie werd de Hackney als last- en rijdier gebruikt. Vanwege zijn snelheid en het grote uithoudings- vermogen heeft de Hackney zeer lange tijd vooral de postkoetsaanspanning gediend.
In heel Engeland bestond een net van geregelde lijndiensten voor zowel post als personen vervoer. (Royal Mail).
De naam 'Hackney' komt van het Franse woord 'Hacquenee' hetgeen is afgeleid van het Latijnse woord voor paard 'equus'. De term Hacquenee werd in Engeland, rond 1300, opgenomen als Hackney. Destijds betekende Hack rijpaard om het verschil aan te duiden met de zwaardere paarden. Later werd er ook mee aangegeven dat het paarden betrof die voor de huur koetsen liepen omdat van berijden nauwelijks geen sprake was. De hoog opgooiende gang van de Hackney zit niet echt comfortabel.
Rond 1900 werd de Hackney in Nederland ingevoerd. Door het elegante uiterlijk was de Hackney een geliefd paard voor de luxe equipages (rijtuig met paarden en bedienden). Toen na de 1e wereldoorlog het gemotoriseerde verkeer toenam werden de Hackneys nauwelijks nog ingezet. Het gebruik en de fokkerij stonden op een heel laag pitje.
Na de 2e wereldoorlog nam de belangstelling voor de Hackney weer toe, voornamelijk door de mogelijkeden de paarden meer hobbymatig te houden en voor de sport.
|
|
De IJslander komt uit IJsland en wordt daar al meer dan duizend jaar raszuiver gefokt. Vanaf het jaar 930 na Chr. geldt er een importverbod waardoor er sindsdien totaal geen inbreng van vreemd bloed in de fokkerij meer is voorgekomen. Zelfs in tijden van grote natuurrampen bleef dit verbod bestaan en moest het ras zich op eigen kracht herstellen.
De IJslander stamt af van het Europese oerpaard 'Equus Stenonsis'. Een lijn van het nageslacht van dit oerpaard werd een miljoen jaar geleden getemd door Germaanse stammen. De paarden verspreidden zich in Scandinavië en Groot Brittannië en kwamen met de Vikingen uiteindelijk terecht op IJsland.
Door deze strenge natuurlijke selectie (natuurrampen en barre weersomstandigheden) is het IJslandse paard een sterk, sober en intelligent paard geworden met veel werklust en temperament. Op IJsland werd (en wordt soms nog) het paard ingezet als rij- en lastdier en vervoerde het mensen en post. Omdat men vaak grote afstanden moest overbruggen werd er met één of meerdere 'handpaarden' gereden zodat de ruiter van paard kon wisselen. Op de boederijen werd de IJslander ingezet voor klein landbouw werk en zelfs om schapen te drijven! Tegenwoordig worden er veel gangenwedstrijden en races gereden en is de IJslander een heus sportpaard.
Doordat de IJslanders pas op vijf jarige leeftijd worden ingereden verblijven zij vaak lange tijd in kuddeverband. Hier leren de jonge dieren hun sociale vaardigheden waardoor ze vriendelijk en goed in de omgang zijn. Naar elkaar bijten en slaan, bij groepsritten bijvoorbeeld, komt zelden voor.
|
|
Het Nederlands Minipaarden Registratie Stamboek bestaat sinds 1993 en probeert, door middel van diverse kruisingen, een mini paard te fokken. Daarbij maakt men onderscheid in twee maten, namelijk paardjes tot 86 cm. (minimaat) en van 86 cm. tot 106 cm. (kleine maat). Ook in type worden de dieren verdeeld in basis en luxe type.
Minipaardjes worden al jarenlang over de hele wereld gefokt door het kruisen van verschillende rassen. Uiteindelijk ontstonden er dus nieuwe rassen met een eigen naam zoals de Falabella, het Bergmann paardje en de American Mini. Maar ook binnen een ras komen hele kleine dieren voor, denk aan de Shetlander en de Appaloosa. Onderstaand een aantal voorbeelden van de verschillende mini rassen.
|
|
|
Hallo!!
Welkom op mijn site!!
Veel plezier!!
××× De beheerster.
P.S: Als je over de paardenrassen nog meer wilt weten, ga dan naar: www.ponynet.nl
|
|
 De Shetlandpony komt van oorsprong van de Shetland eilanden, ten noorden van Schotland. Op deze eilanden heerst een klimaat van koude, wind en regen. Het voedselaanbod is klein en kent weinig variatie. De Shetlandpony heeft zich aan dit strenge klimaat weten aan te passen door een weelderige staart en manenpartij en een bijzonder dikke vacht in de winter te krijgen. De pony's bleven door het beperkte voedselaanbod klein van stuk en zijn taai, sober en sterk.
Op de Shetland eilanden werkte de pony voornamelijk als lastdier. (o.a. hooi en turf transport) Later werd deze kleine pony veel ingezet in de kolenmijnen maar gelukkig komt dat nu niet meer voor.
De Shetlandpony kwam in de dertiger jaren naar Nederland en vervulde voornamelijk een rol als trekdier. De pony nam destijds ook de taken van de, toen nog bestaande, trekhonden over. Op kleine landbouw- en fruitteeltbedrijven verrichte hij veel werkzaamheden. Het is bekend dat een Shetlandpony, in verhouding tot zijn maat en gewicht, sterker is dan een groot trekpaard. De Shetlander is zelfs, toen de grotere rijpony's nog niet zo bekend waren, vrij veel ingezet als kinderrijpony.
|
|
De Dartmoor is een kleine harde pony en komt uit het Dartmoor gebied in het uiterste zuid westen van Engeland. Het gebied is een wild hoogland met veengronden en rotsachtige bergpieken. De Dartmoor wordt daar al honderden jaren gefokt. Al in 1898 zette de National Pony Society een locale commissie op om een rasstandaard in te voeren en pony's te inspecteren die aan deze standaard voldeden.
Oorspronkelijk werd de Dartmoor veel gebruikt om tin uit de tinmijnen te vervoeren naar de tinverwerkende dorpen. Daarna werden ze veel gebruikt bij het werk op de boerderij, van veehoeden tot het aangespannen werk om de boerenfamilies naar de markt en ter kerke te brengen.
De meeste pony's werden half-wild gehouden en zwierven dagelijks over de veengronden hetgeen bij droeg aan de bouw en het karakter van de pony. De Dartmoor is betrouwbaar, intelligent en sterk.
|
|
De oorsprong van de Haflinger voert terug naar het bergland van Zuid Tirol. In dit gebied kon zich een sterk tussenmaats paardenras ontwikkelen dat voor die berggebieden uitermate geschikt was als werkpaard en rijpaard.
In het dalgebied het 'Sarndal' is de Haflinger gekruist met kleine Oosterse paarden die door de Oost Gothische bevolking waren meegebracht. In de Haflinger zijn nog steeds de Oosterse trekken te vinden, zoals het temperament en de vorm van het hoofd en de ogen.
Het ras heeft zijn naam pas later te danken aan de gemeente Hafling.
Het klimaat in de berggebieden is bijzonder wisselend en beslist niet mild te noemen. De Haflinger bezit daardoor een grote weerstand tegen extreme en snel wisselende weersinvloeden.
naar boven
|
|
 De Konik is een bijzonder paardenras. Zijn oorsprong ligt in Polen alwaar men probeerde de 'uitgestorven' Tarpan weer terug te fokken. De Konik is van alle paardenrassen het meest verwant aan de Tarpan. De laatste wilde paarden in Polen werden in 1780 gevangen en ondergebracht in wildparken. Echter in het begin van de 19e eeuw werden deze paarden verspreid onder boeren die de paardjes kruisten met hun eigen paarden. Ruim een eeuw later begon men met het terugkruisen. In feite is de Konik het resultaat van een succesvol Pools fokprogramma die er op gericht was een op de Tarpan gelijkend paardenras te verkrijgen.
De Konik heeft veel invloed gehad op de meeste Poolse en Russische paarden en pony's. In tegenstelling tot de Tarpan is de Konik juist bijzonder vriendelijk en werkwillig. (De Tarpan is meer hardnekkig en onhandelbaar) De Konik bezit daarentegen wel de taaiheid en soberheid van de Tarpan. Konik betekent eenvoudig 'klein paard'.
|
|
 De New Forest pony dankt zijn naam aan 'het nieuwe bos' een natuurreservaat in zuid-west Engeland, 'the New Forest'. Een gebied gelegen tussen Southhampton en Bournemouth.
De pony's werden van oudsher hier min of meer wild gehouden en ook nu nog zijn er kuddes in deze gebieden te vinden. Het natuurgebied bestaat uit heide, bebossing en moerassen.
De New Forest pony werd voornamelijk gebruikt als trekkracht in de landbouw en aangespannen voor het vervoer van mensen. De voordelen van pony's in het algemeen werd bijzonder gewaardeerd; ze gaan lang mee, zijn niet al te groot en sterk en vast ter been. Eigenschappen die de New Forester wel bekend zijn. Doch zoals het met alle paard- achtigen verging, raakte het werk verloren door de toenemende mechanisering. De New Forest pony werd steeds vaker als rij- en sportpony ingezet en door zijn geweldige karakter en veelzijdigheid niet zonder succes.
In 1957 werden de eerste New Forest pony's in Nederland geïmporteerd. Ze moesten vooral aan de vraag van geschikte kinderrijpony voldoen want tot dan werd er voor kinderen slechts de 'vaak te kleine' Shetlander gebruikt. De New Forest beschikte over een goede maat en een betrouwbaar karakter. In datzelfde jaar werd ook het Stamboek opgericht. Door een ongelooflijk enthousiaste inzet en het op bijzonder korte termijn geven van prachtige demonstraties werd de New Forest pony in Nederland reuze populair. De vereniging maakte dan ook een sterke groei.
|
|
De Tinker vindt zijn oorsprong in Ierland en Engeland als het paard van rondtrekkende zigeunerfamilies. De naam Tinker komt van het Ierse woord 'tinceard' (tinsmid), het beroep van de zogeheten Iris Travellars (zigeuners). In andere landen wordt de Tinker ook wel Gypsy Horse, Gypsy Vanner Horse of Irish Tinker genoemd. Hoewel de Tinker steeds minder gebruikt wordt om de rijdende zigeunerwoning te trekken is het ras nog steeds een trots bezit van veel zigeunerfamilies en bepalen zij grotendeels de fokkerij.
Omdat de zigeuners het destijds niet zo nauw namen met de fokkerij vermoed men dat o.a. de Shire, de Clydesdale, de Dales en Fell pony hebben bijgedragen tot de huidige Tinker.
|
|
Hier heb ik me informatie vandaan.
Als je nog meer over de rassen wilt weten, moet je er heen gaan.
Dit is de site:
http://www.ponynet.nl/kk_100000.html
|
|
 Het Friese paard is een inlands raspaard. Zijn wortels gaan ver terug in de tijd. Al in de 13e eeuw was de Fries bekend en tegenwoordig vertoont het nog steeds duidelijke overeenkomsten met zijn verre voorouders.
Het Friese paard werd waarschijnlijk al meer dan 3000 jaar geleden gebruikt. Uit oude bronnen blijkt dat het paard al gebruikt werd door de Romeinen, die het paard zeer waardeerden. Ze namen de Fries mee als oorlogspaard, tijdens de veldtocht naar Engeland. In de Middeleeuwen werd de Fries vooral als krijgspaard gebruikt. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog leverden kruisingen met Spaanse paarden, voornamelijk Andalusiërs in de zeventiende eeuw een actief en veelzijdig type Fries op
Lees er mee over op :
http://nl.wikipedia.org/wiki/Fries_paard
(dit stond niet op ponynet.nl)
|
|
|
 De Connemara Pony is afkomstig uit Ierland. Een gebied in het uiterste westen dat Connemara heet en waar de pony zijn naam aan dankt. Eeuwen lang leefden de pony's in het onherbergzame en heuvelachtige gebied in halfwilde staat. Het gebied staat bekend om zijn gure klimaat; veel regen, mist en wind en vooral weinig voedsel. De Connemara is een uiteindelijk product van de oude West-Europese rassen en de destijds op Arabieren gelijkende paarden. Door het bizarre klimaat konden slechts de sterkste dieren overleven en zodoende bleef er een sterk en gehard paardje over. De huidige Connemara is een robuuste pony met adel en uitstraling.
|
|
 De Falabella is een zeldzaam en uniek paardenras. De benaming pony mag niet genoemd worden daar het diertje alle kenmerken van een paard bezit hetzij dan in een verkleinde vorm.
Het ras is genoemd naar de familie Falabella die zich sinds het midden van de 19e eeuw met het fokken van dit paardje heeft bezig gehouden.
De oorsprong van de Falabella gaat heel ver terug naar de tijd dat de Spanjaarden hun Andalusische paarden meebrachten op hun veroveringen van Latijs Amerika. Na verloop van tijd werden veel paarden aan hun lot overgelaten en moesten zich zien te redden in de barre omgeving. Waarschijnlijk hebben de jarenlange moeilijke omstandigheden waarin de dieren leefden enkele genetische veranderingen teweeg gebracht en uiteindelijk geleid tot een kleiner type paardje.
In 1845 ontdekte een Ier (Newtall) een aantal van dergelijk kleine paardjes in een kudde die door de Indianen gehouden werden. Het lukte hem om meerdere exemplaren te bemachtigen en daar mee verder te fokken. Uiteindelijk was het de heer Falabella (een schoonzoon van Newtall) die het ras verder verbeterde en verkleinde. Hij gebruikte hiertoe een aantal kleine Europese rassen, de Shetland pony en kleine volbloeden.
Aan het begin van de 20e eeuw had het Falabella paardje, dat toen al die rasnaam droeg, zijn huidige vorm. Rond 1930 begon de heer Falabella met de registratie en het verder systematiseren van het fokproces en kreeg hij de leiding van de 'Establecimientos Falabella' te Argentinië. (de ranch waar de Falabella's gefokt worden)
|
|
 Het Fjordenpaard komt uit Noorwegen en kan tot één van de oudste paardenrassen van Europa worden gerekend. Het Fjordenpaard dankt zijn naam aan de 'fjorden', de diepe inhammen in de rotsachtige, grillige Noorse kust. In Noorwegen bewees de Fjord zijn diensten voornamelijk als last en trekdier en ook om de bevolking in lichte rijtuigjes te vervoeren. Men had daar een goed harddravend paard voor nodig om de grote afstanden te overbruggen.
Het Fjordenpaard deed in 1954 voor het eerst zijn intrede in Nederland. Er werden een aantal paarden als proefproject door de Kleine Boeren Commissie geïmporteerd. Een aantal kernen in Nederland kreeg Fjordenpaarden toegewezen om zodoende de gebruiksproef in het boerenwerk te testen. Deze gebruiksproef onderving veel kritiek doch de bruikbaarheid van het Fjordenpaard op de kleine landbouwbedrijven voldeed boven alle verwachtingen en de populariteit van de Fjord nam sterk toe.
De Fjord kent een enorme trekkracht en werkwilligheid waardoor het ingezet werd bij vele vormen van licht landbouwwerk als ploegen, maaien, schudden, eggen, enz. Daarnaast en vooral later toen de trekker het werk van de paarden overnam werd de Fjord een geliefd paardje om recreatief mee te mennen en onder het zadel te rijden.
|
|

Oorspronkelijk zijn deze pony’s afkomstig van de eilanden voor de west kust van Schotland en uit de Schotse Hooglanden. Tegenwoordig zijn nog steeds de meeste stoeterijen in Schotland, maar men vindt de Highland ook in Engeland, Duitsland, België, Frankrijk en Nederland. Verder zijn er enkele pony’s in de USA, Scandinavië, Canada en Australië.
Meer en meer mensen raken verrukt van hun temperament, hun werkwilligheid en hun veelzijdigheid.
Wat in eerste instantie opvalt bij deze pony’s is de grote verscheidenheid van kleuren. De meeste daarvan zijn wildkleuren, zodat aalstrepen, zebrastrepen op de benen en soms ook over het lichaam geen zeldzaamheid zijn. Bont komt niet voor. Het behang is vol, ook de benen hebben volop zijdeachtig haar. De wintervacht bestaat uit twee lagen, waardoor deze pony’s het hele jaar buiten kunnen blijven. Dat er wel enige beschutting aanwezig moet zijn, spreekt voor zichzelf.
Highlands zijn altijd beschouwd als gebruiksdieren. Ze werkten op de kleine boerenbedrijfjes van de Schotse crofters en deden vaak dienst als pakpaard, vooral voor turf. Ook reden de boeren erop naar de markt of vervoerden er hun producten mee.
De geschiedenis van de Schotse Hooglanden is niet bepaald vredig en het is dus waarschijnlijk dat de pony’s werden gebruikt door de oorlogvoerende clans. Nog in de tweede wereldoorlog waren ze in gebruik bij de “Lovat Scouts”.
Gedurende tal van jaren zijn Highlands in verband gebracht met de jacht. Eén van de bekendste pony’s in de twintiger en dertiger jaren was Jock, de pony van koning George V. Hij droeg de koning tijdens jachten rond de kastelen Balmoral en Sandringham. Highlands zijn sterk en vast ter been, wat hen bij uitstek geschikt maakt voor het gebruik in de Schotse heuvels. Ze dragen met gemak een afgeschoten hert, soms met een gewicht van over de honderd kilo, de ruige, steile hellingen af.
Sinds het eind van de negentiende eeuw worden de Highland pony’s in een stamboek geregistreerd. Eerst in het polo pony studbook, sinds 1923 door de Highland Pony Society. Het ras is natuurlijk veel ouder, er wordt gezegd dat Robert the Bruce tijdens de slag bij Bannockburn (bij Stirling) in 1314 op een Highland was gezeten. John M. Macdonald vertelt allerlei oude verhalen over de Highland in zijn boek uit 1937: “Highland Ponies and some reminiscenses of Highland Men”.
Hoe dan ook, nu hebben we aan de Highland een fantastisch fijne pony, die het waard is meer bekend te worden in Nederland.
|
|
 De Mérens is een compact zwart bergpaard, van origine afkomstig uit de Franse Pyreneeën. Eind jaren zestig was het ras bijna uitgestorven maar met behulp van de Franse Staatsstoeterij hebben enkele fokkers dit weten te voorkomen.
De Mérens wordt in Frankrijk vaak in kudde verband gehouden en lopen van mei tot oktober hoog in de bergen. Mede door de enorm steile hellingen ontwikkelen ze een bedachtzaam karakter. Paniekreacties zouden immers kunnen ontaarden in een dodelijke val in het ravijn. Dit kalme karakter is een van de meest gewaardeerde eigenschappen van de Mérens.
In Frankrijk werd en wordt de Mérens veel gebruikt in de landbouw maar tegenwoordig ook steeds meer voor het maken van meerdaagse trektochten.
In 1976 schreef Wouter Slob in 'De Hoefslag' een artikel over de Mérens en dat wekte de nieuwsgierigheid van de heer en mevr. van 't Schip. Zij reisden in datzelfde jaar naar Frankrijk en kwamen, onder leiding van een gids, oog in oog te staan met een grote kudde Mérens paarden. Het jaar daarop bracht de heer van 't Schip de eerste Mérens paarden naar Nederland; 6 merries en 1 hengst.
|
|
De afkorting NRPS staat voor: Nederlands Rijpaarden en Pony Stamboek. Dit is een vrij uniek stamboek daar het zowel paarden als pony's registreert.
Het NRPS is opgericht in 1981 en heeft tot doel goede prestatie paarden en prestatie pony's te fokken die aan de hoge eisen van de rijsport kunnen voldoen.
Voor dit doel gebruikt het NRPS Arabisch bloed om kenmerken als karakter, hardheid, uithoudingsvermogen en de bereidheid tot werken aan de sportpony's mee te geven. Daarnaast is ook het uiterlijk zeer belangrijk en zijn adel, expressie en lichtvoetige bewegingen belangrijke factoren voor het NRPS.
Het NRPS is een groot stamboek en is gegroeid van zo'n 1800 leden bij de start tot ruim 5000 leden nu.
|
|
 De Welsh pony komt van origine uit de heuvels en valleien van Wales. Het ras was daar al voordat de Romeinen hun intrede deden. De pony's hadden het niet makkelijk, de winters waren streng en het voedsel was schaars. Schuilgelegenheden waren er alleen in de vorm van een vallei of een groepje kale bomen. Ondanks dat alles lukte het de Welsh pony te overleven en zelfs goed te gedijen.
In een half wilde staat renden groepjes merries met hun veulens en een hengst door het ruige terrein van Wales. Alleen de hardste dieren hielden dit vol en door de eeuwen heen leidde dit uiteindelijk tot een bijzonder solide gebouwde pony met veel uithoudingsvermogen en een grote intelligentie.
De Welsh pony heeft onmiskenbaar Arabisch bloed door zijn aderen stromen. Een overblijfsel van de Romeinse bezetting. Toen de Romeinen zich uiteindelijk terugtrokken bleven er veel paarden van het Arabische type achter. De Welsh pony echter heeft ondanks die Arabische invloeden zijn duidelijke kenmerkende pony eigenschappen behouden. Ook nu nog worden Welsh pony's gebruikt om andere rassen te verbeteren en zijn ze een ster in het vererven van hun goede eigenschappen.
|
|